EEN PAAR CIJFERTJES

Naar Vietnam? Over een paar weekjes is het voor mij weer zover; overwinteren in de tropen. Het land telt inmiddels meer dan 94 miljoen (geregistreerde) inwoners,  waarvan twee derde jonger is dan 40 jaar. (De gegevens heb ik van een Vlaamse vriend die al 20 jaar in Vietnam woont.)

verkeersaigon

De Middelbare school levert jaarlijks  één miljoen gediplomeerden. Hiervan gaan er maar 9 % naar de universiteit of Hogeschool, (in westerse landen is dat 25% ). 20 % Van die afgestudeerden is werkloos, niet omdat er geen werk is, maar omdat hun niveau te laag is voor de vele buitenlandse bedrijven die in Vietnam actief zijn. Ik heb diverse keren Noren, Zwitsers of Chinezen ontmoet die er bijvoorbeeld waterkrachtcentrales bouwen, en ingenieurs in Thailand en Maleisië moeten zoeken. Niet dat dat verrassend is want als je niet kunt luisteren en alles beter weet, hoe kan je dan iets bijleren. (Uitspraak van de Gentenaar, die getrouwd is met een Vietnamese en dus uit eigen ervaring spreekt.)

Saigon telt op dit ogenblik ongeveer 7 miljoen inwoners en jaarlijks komen er 130.000 bij, veelal komen die van het platteland om hun geluk te zoeken in de grootstad. In Hanoi komen er jaarlijks 100.000 inwoners bij om dezelfde reden. Die 94 miljoen Vietnamezen verplaatsen zich op ongeveer 40 miljoen scootertjes, met als triest resultaat 14.000 verkeersdoden per jaar. Telefoneren doen ze met 128 miljoen (geregistreerde) mobieltjes. Gescheiden gebruik privé/werk, apart mobieltje voor ‘buitenechtelijk’ gebruik, enzovoort. (Dat laatste heb ik alweer uit de eerste hand, van de Vlaamse vriend.)

Vietnamvariant01b

Een foto die ik in 2012 heb gemaakt in Mui Ne.

Vliegen binnen Vietnam is relatief goedkoop. Er zijn 22 luchthavens verspreid over het land (waarvan er in 2014 slechts 2 rendabel waren… Ik vlieg bijvoorbeeld van Saigon naar Nha Trang voor 50 euro.)

Wist u dat… enkele jaren geleden een boer ergens in Centraal Vietnam een ingang ontdekt heeft van tot wat nu gerekend wordt tot de grootste grotten ter wereld. Na enkele jaren onderzoek zijn die grotten nu opengesteld voor het publiek. In 2013 lieten ze de eerste 200 bezoekers toe, in 2015 lieten ze 500 bezoekers toe en in 2016 idem, prijs 3000 US dollar voor 7 dagen in de 5 km lange en op sommige punten 200 meter hoge grot. (Meer info op google: Hang Son Doong).

son-doong-cave-gate

Bij een vergelijkende studie over een gemiddeld jaarinkomen en de prijzen van allerlei goederen en diensten in vele landen ter wereld is Vietnam drie keer koploper als duurste land op het gebied van grond (land), auto’s en melk. Bij auto’s is dat niet verwonderlijk want de staat heft tussen 50 en 60 % invoertaks op auto’s.

Vanwege de dure grondprijzen en het feit dat jongere gezinnen meer privacy willen in plaats van met drie generaties samen te wonen in hetzelfde huis, rijzen overal enorme appartementsblokken op. Voor de prijs van een goedkoop appartement kun je er (naargelang de ligging ) maar 100 of zelfs maar 30 m2 grond kopen. Minder vrolijk is het feit dat 58% van de (meestal) vrouwen ooit slachtoffer is van huiselijk geweld. Om nog maar te zwijgen van niet aangegeven incidenten.

Botteschaats03

Nha Trang

In Nha Trang (mijn verblijfplaats) zouden er nu ongeveer 420.000 mensen wonen en er is onlangs een vijfde zogenaamd internationaal ziekenhuis geopend. Er wordt enorm veel gebouwd: hotels, maar vooral appartementen dus. En om met de Aziatische megalomanie mee te doen zijn er ook hier plannen om het hoogste gebouw ter wereld neer te zetten. Het hoogste hotel/appartementsgebouw dat nu in aanbouw is, telt 47 verdiepingen, dus kunnen ze nog even vooruit (de Burj Khalifa telt er 158). De bewoners kunnen straks ze tot aan de Philipijnen kijken.

Op Tripadvizer worden op het ogenblik 353 restaurants vermeld in Nha Trang. Tel hierbij gerust nog eenzelfde aantal -niet vermelde- lokale restaurants en eetgelegenheden langs de straat, -waar ik meestal tot volle tevredenheid eet. Eten en drinken doen de Vietnamezen op elk uur van de dag. Wij, expats en toeristen vragen ons ook dikwijls af wie in al die nieuwe hotels zullen komen te logeren, dat moeten in de toekomst vooral de Chinezen en Russen zijn.

Tot slot nog een laatste cijfer. Eén van onze beste vrienden is chef in de keuken van het Intercontinental Hotel, voor de gemiddeld 400 tot 600 (dagelijkse) gasten van het hotel heeft hij wekelijks o.a. 10.000 eieren nodig. Eet smakelijk en Gelukkig Nieuwjaar.

CKWMHz5WoAQywPN

De Zuid-Chinese Zee, drie minuten van het hotel

Geplaatst in Geen categorie, Vietnam | Een reactie plaatsen

UITDAGING ’16

Ga maar eens (gewoon lekker) zitten. Voor Het Eerlijke Verhaal (zeg maar). Ik probeer een bizar stukje proza in Haags spreek- en Binnenhofse taal op te tekenen, ter vermaak op deze eerste dag in 2016.

  • Vet = jargon
  • Cursief = stoflapjes die gevoeglijk weg kunnenJargon-cartoon

Een voorbeeld (bijvoorbeeld). Alweer een jaartje verder, worden de uitdagingen (best wel) schaars voor wie (eigenlijk) de rand van zijn bucket list nadert. Een nieuwe uitdaging aangaan betekent meestal dat je na overbodig ter zijde te zijn geschoven (zeg maar)over je schaduw heen dient te springen om nog (echt) ergens je schouders onder te zetten en kansen te pakken -waar of wat, dát blijft (uiteindelijk) ergens in het midden hangen.

Willie 003

Laten we het verschil maken‘, motiveert Diederik Samsom graag het volk. Wat, dat vertelt hij er nooit bij, wel dat we het samen en met zijn allen moeten moeten doen. Super. Hoe vaag wil je het (eigenlijk) hebben. Er gaat (gewoon) geen dag voorbij of ik word opgeroepen om Kansen te Pakken. En ik moet me (eigenlijk) richten op een Stip op de Horizon. Dat is (echt best wel) heftig, (zeg maar).

Laten we met zijn allen In gesprek gaan om (zeg maar) Bruggen te Bouwen en het eerlijke verhaal (gewoon) handen en voeten te geven. Want wil je (zeg maar) niet helemáál ‘uit je bundel gaan’, dan moeten we er (echt) een Mooi Product van maken en (uiteindelijk) de uitdaging aangaan om over je schaduw heen te springen.

Gelukkig Nieuwjaar. (Zeg maar).

Erna-stiphorizon-700

Geplaatst in Column, humor, Taal | Een reactie plaatsen

VREDE OP AARDE

Geen beginnen aan. Het blijft maar een vrome wens, meer niet. Al zolang ik leef duikt die frase zo rond de kerstdagen ieder jaar weer op, in alle talen van de regenboog. Wie na de wijn en fazant -dat ongewild goed helpt bij het verdringen van de gedachte dat het wensen tegen de bierkaai is en dat de ruzie met tante Mathilde, zodra je haar op de laatste trein hebt gezet, -alle ‘de beste wensen’– ten spijt op 2 januari weer gewoon door zal gaan. Daar helpt geen moedertje lief of kerstkindje aan. Ho ho ho.

media_xll_8000675

Om maar te zwijgen van de drommen Betlehem-gangers die vanuit vele onvrede-gebieden deze kant op komen, op zoek naar een gastvrije herberg. Weggevlucht voor de vatenbommen van aartsengel Lucifer-Assad en de bloeddorstige onmensen uit de regio waaraan we dezer dagen liever niet aan herinnerd worden bij het aanheffen van het ‘Komt Allen Tesamen.’

Sinds mensenheugenis vechten mensen elkaar de tent uit en behalve anderhalve vredespijp uit de tijd van Old Shetterhand, blijkt de vrome vredewens iedere keer weer te zijn geuit met gekruiste vingers achter de rug en rommelt aartsleugenaar Poetin ons een derde wereldoorlog in. Bidden helpt geen steek in de Stille Nacht en ik betrap mezelf er op dat ook mijn bloed bij de herinnering aan Krim en MH17 begint te koken en ik me moet beheersen om een Buk-raket te vragen voor mijn verjaardag.

img_5672dc52c54d76.48978627

Vrome wensen, wat koop je ervoor, nietwaar? Hoe gemakkelijk is het niet om vanuit je leunstoel naast de overdadig versierde kerstboom jouw oplossingsrichting over de borreltafel te gooien en het glas te heffen met een triomfantelijk gezicht. ‘Ik zou het wel weten. In mijn tijd stuurden we een peloton mariniers naar De Dam en het Maagdenhuis. De knuppel over het tuig in Geldermalsen.’ Gloria in exelcis Deo. ‘Draait er nog een mooie oorlogsfilm op tv?’

Helaas staat de ‘orde van de dag’ op 27 december in schril contrast met de innerlijke wens van jou, de dominee en de Herdertje die bij nachten lagen. De afstammelingen van die brave schapenhouders liggen nog dagelijks in een bloedige clinch met die van Jerusalem, blind voor wat er aan vredewensen boven de heilige plaatsen in neonletters prijkt. Vrede op aarde aan de mensen van goede wil, -wie dat dan ook moge zijn. Schei toch effe uit mensen.

Maar is er dan geen teken van hoop Cees? Kijk hoe liefdevol wij in dit land van melk en honing de Adams en Eva’s uit de streek waar ooit het Aards Paradijs lag, verjaagd zijn en op de vlucht geslagen, opvangen en vertroetelen. Mooi toch. Of vergis ik me? Als er een bijbelse God bestaat, waarom schopt hij dan aartsengel Wilders niet binnen de kortste keren het Vagevuur in? Heeft de mensheid het door de eeuwen heen niet te danken aan dergelijke haatdragende en xenofobische fanaten, dat de zo gewenste kerstvrede er maar niet komt omdat wij toestaan dat ze blijven rondlopen, omringd door Zwitserse Gardisten, de bazuin van het kwade daglicht blazend?

U en ik zullen het niet meer meemaken, is een cliché als een koe. ‘Maar laten we aan onze kinderen en hunner kinderen denken en nóg wat kaarsjes ontsteken.’ Schaadt het niet, baat heeft het voor onze gemoedsrust. En het verwarmt hart en huiskamer.

Zalig kerstfeest.

09122601_kerstzang_1209331j

Geplaatst in Column, Geen categorie, schrijven | 7 reacties

IK KAN GEEN BANAAN MEER ZIEN

Aan het eind van de Ming-dynastie, -omstreeks 1640-, ontvluchtten miljoenen Chinezen hun land. Door de oorlog met de Mongolen en later vanwege de aanvallen van Japan op de oostkust, weken ze uit naar Siam –het huidige Thailand, Laos, Vietnam en Cambodja. Vandaag de dag stamt circa dertig procent van het Khmervolk af van diaspora-Chinezen.

Lorelaaninmodder1

Ons ‘openbaar vervoer’ naar mijn schooltje in Kleng Leu

Op 27 augustus viert Cambodja Bon Kbaal Tuk, wat zoveel betekent als Chinees Waterfestival, uit dankbaarheid aan Boeddha en de voorvaderen over het begin van het regenseizoen, en om een goede oogst af te smeken. Dat klonk mij toen ik er nog woonde een beetje cryptisch in de oren als je de overstromingen van toen in ogenschouw neemt, maar laten we wel wezen, in Nederland wordt door de bijbelbelt Dankdag ook niet overgeslagen als de Maas overstroomt of de aardappeloogst is mislukt.

27 Augustus is daar dus een vrije dag waarop banken, kantoren en Chinese winkels gesloten zijn en talloze families thuis feestvieren. Tegelijk worden ook de voorvaderen herdacht; een nogal multifunctioneel offerfeest dus. En het Angkorbier en de rijstwijn vloeit dan ook rijkelijk.

Altaartje1

Altaartje bij ons splinternieuwe weeshuis in Kleng Leu

Van 10 uur in de ochtend tot 6 uur ’s avonds prijken er offergaven in de huistempeltjes, variërend van gebraden kippen, exotisch fruit en bloemen (waaronder opvallend veel Nederlandse gladiolen en chrisanten) tot blikjes bier, flessen (ginseng)wijn en Mekong-whisky, afhankelijk van de welstand van de huiseigenaar. Het tijdsbestek van de uitstallingen heeft niets te maken met het roven van offergaven door gauwdieven, maar uitsluitend met de symboliek. Vraag me niet welke want als ik een Khmer ernaar vraag, kan hij het mij ook niet uitleggen. Arme mensen, dat weet ik dan weer wel, halen de etenswaren weg zodra de wierrookstokjes zijn opgebrand: Boeddha is onderhand voldaan en nu kunnen wij de rest opeten.

Toen ik op één van de ochtenden gedurende het Waterfeest bij vrienden zat, kwam een (kennelijk ‘welgestelde’) buurvrouw schalen vol lekker eten voor ons brengen. Want dat hoort er ook bij: geef van je overvloed aan de minderbedeelden en ‘Het zal u duizendmaal worden beloond.’

Toen de buurvrouw terugkeerde in haar huis, fluisterde een vriend , enigszins aangedaan: “Wat een aardige mensen! Ik ken ze niet eens. Hoe kan ik wat voor ze terugdoen?”

CQJABdYWgAAEzQH

En zo is het. Het volk mag dan in onze westerse ogen nogal stoïcijns zijn en gehard door de oorlog van de Khmer Rouge, armoede en tegenslag, ze hebben een groot hart, voor wie het zien wil.

De volgende ochtend was alles schoon op, sliepen de mannen hun roes uit en spoelde de moessonregen de laatste sporen weg van een geslaagde Kbaal Tukdag.

Het enige wat je nog hier en daar nog zag liggen waren trossen bananen, vruchten die Boeddha onderhand zijn neus uit moesten komen.

B0OaKJGIgAA0Elx

Geplaatst in Cambodja, Column, histoblog | 2 reacties

GENIET ZOLANG JE KUNT

(Deze overwegingen schreef ik op toen ik net in Azië woonde.) 

Mijn broertjes en ik bouwden hutten in de polder.

Uren op de uitkijk in de lindeboom.

Brandhout zagen in de timmerwinkel.

Kievitseieren zoeken in april.

Wilde aardbeien in mei.

In de herfst staken we vuurtje.

Slootje springen en kikkers vangen.

Rolschaatsen op de eerste asfaltweg.

Jongens opzij, daar komt een auto aan.

Meehelpen met graan dorsen.

Jeuk door al het kaf.

Zwemmen in de Schelde.

Papaver eten tot je omviel.

Vliegeren op het stoppelland.

Stoeien op bed. Stilte!

dorsen

Ja, ik weet, die jaren vijftig waren vooral sober en streng. Onze ouders hadden zorgen en de sociale controle was enorm. ‘Buurvrouw, weet je dat julder jongers vuurtje stoken an de Langen Diek?’

Je had de vechtpartijen op het schoolplein. Het voorbeeld moeten geven als oudste van zeven broers en zussen. De watersnood van ’53. Een zieke moeder en de dood van onze grootouders. Maar wat toch het meest is blijven hangen is het onbekommerd genieten en het avontuur.

Toen kwam voor mij het seminarie. Uit met de pret.  Paters van Brabants eikenhout. Ingepeperd zondebesef. Latijn en Grieks. Heimwee. Smerig eten. Wegloopplannen. Gekreun op slaapzaal. Hoe kom je van die zonden af. Biechten dan maar weer. Genieten was opeens verboden. Je had een roeping.

Heer1959

Jaren later kwam dan eindelijk de bevrijding. Dacht ik. Maar een andere plicht, die van de Eigen Verantwoordelijkheid drukte op je schouders. Van zeven tot zes aan het werk. Eenentwintig gulden zesenvijftig in de week. Opnieuw naar school. Achter de meisjes aan. Ruzie thuis. Ooit was je een deugniet, nu deug je ineens niet meer en dat vond de pastoor heel erg. Dan maar bij de Katholieke Arbeiders Jeugd gaan. Het mooiste meisje zegt tegen iedere jongen dat ze al verkering heeft, vooral tegen mij. Heb ík weer. Op de dansvloer in de Prins van Oranje voel ik me als een kat op een heet zinken dak. De hele wereld drukt op mijn schouders.

Ze komt tóch op mijn verjaardag. Blij om mee te tellen. Er komt een bruiloft van. En kinderen. De laatste Mis. Dát lucht op. Huisje-boompje-beestje. Een Opel Kadett en een hypotheek. Je moet de buitenboel nodig schilderen hoor. Kook jij nou ook eens. Alwéér een nieuwe auto. Laten we gaan kamperen. Zin of geen zin. Jij zou toch kaart lezen. Verhuizen ver weg van onze geliefde kust. Vinex. Werkdruk. Rugklachten. Als romanschrijver mislukt. De onvermijdelijke scheiding. En dat is dan onbedoeld bevrijding nummer drie.

Lesincorruptie

Vandaag hoef ik helemaal niets meer. Deze vierde bevrijding heeft me teruggebracht naar mijn hut, mijn lindenboom en het zwemmen in zee. Zo vaak als ik maar wil. Zeven maanden zonnig en altijd warm. Mijn bed wordt verschoond en het eten opgediend. Tijd om te schilderen en schrijven. Iedere dag omringd door de kinderschare van mijn school. Mensen die alle tijd voor je hebben. Niemand die je tot iets verplicht. De rechtvaardigheid en het fatsoen dat er vroeger is ingestampt komt nu van een leien dakje. Iedere dag en ieder blij kind uit het dorp schept vreugde. Ik vlieger weer met ze op de rijststoppels en eet mee van de gevangen kikkers.

Als je kunt, kies dan voor je eigen bevrijding.

Wacht er niet te lang mee.

Geniet, zolang je kunt.

Geplaatst in Cambodja, Column, histoblog | Een reactie plaatsen

RODE VLEKKEN

De zon scheen volop, dat herinner ik me nog. Net toen ik bij de achterdeur mijn klompen aandeed en ik aanstalten maakte om met mijn broertje onder de kersenboom te gaan knikkeren, kwam mijn moeder de trap af met een nieuw matrozenpakje over haar arm.

‘De grote dag is aangebroken, vent. We gaan naar school.’ Hoezo ‘we’? ‘Kom, je mag het aantrekken,’ zei ze met een stralend gezicht. Ik schrok. Och da’s waar ook, het is maandag en ik zou voor het eerst naar school gaan -had ze gezegd. Maar omdat ik in mijn korte leventje al had geleerd dat je wat volwassenen zeggen vaak met een flinke korrel zout moet nemen, tilde ik er niet zo zwaar aan. Maar met dat stomme matrozenpak zag ik het somber in.

‘Kan niet,’ zei ik. ‘Geen tijd.’ Ik was bang dat ik het niet van haar zou gaan winnen. Zei ze niet ‘vent’? Nou, dan was het menens, ondanks die glimlach.

‘Na school heb je nog zeeën van tijd om verder te spelen,’ zei ze, nu met strenge plooitjes in haar bovenlip. Ze tilde me resoluut op, zette me op een stoel en trok mijn broek omlaag. Ik merkte opeens dat haar ogen glinsterden. Zou zij soms verdrietig zijn, of juist blij? Als er hier iemand zou moeten janken, was ik het wel.

‘Veel te strak,’ zei ik, aan het boordje van de blauw-wit gestreepte bloes plukkend. ‘Ik wil niet naar die rotschool.’

‘Maar jongen toch,’ schrok mijn moeder, ‘laat papa het maar niet horen.’

Mijn broer stond er wat beteuterd bij, hij had mijn knikkerzak in zijn handjes en keek met grote ogen naar me op. Zou moeder soms verdrietig zijn omdat ik naar de nonnen moest? Of had ze weer pijn in haar buik? Die was nu wel erg dik geworden ja. Ze had me verteld dat zij samen met vader binnenkort naar dokter Koole ging, om een broertje of zusje te kopen. Ja ja. De babykleertjes lagen al klaar en de wieg stond in de hoek van de voorkamer waar met kerstmis altijd de stal met het kindje Jezus stond. Laat ze dan maar een zusje kopen, ik vind twee broers wel genoeg, dacht ik.

beren2

‘Ziezo,’ zuchtte moeder, haar tranen weglachend. ‘Het staat je goed, vent. Ga je mee? Rinusje, roep jij papa even?’

Mijn broertje rende naar de timmerwinkel. Zijn klompjes klepperden over de binnenplaats. Mijn jongste broertje, -die met de kortste beentjes van de hele wereld-  gaf me een handje en wandelde mee over het tuinpad. Daar kwam vader al. Hij had zijn timmermansoverall uitgetrokken.

We gingen langs de voortuin van opa en kwamen zo bij het schoolplein waar het een drukte van belang was. Ik werd bang. Er waren daar een heleboel grote mensen en je hoorde sommige kinderen hardop huilen. Vader had zijn hand op mijn schouder gelegd en zei: ‘Ik ben trots op je, jongen.’

Maar ik wilde helemaal niet naar school. En al helemaal niet langs die grote meiden daar, die steeds aan je willen zitten en zeggen: ‘Hee, jongsje, van wie bin jie d’r êen? Van wie ei je toch die mooie krullen? Van je ’n eigen?’  Ik ging nog liever dood!

Vader lachte, hij tilde me op en kuste me op mijn wang, waar iedereen het kon zien! ‘Kom, wees een grote jongen. Mama gaat wel met je mee. Zwaaien jongens.’

Bij de ingang van het schoolplein hield ik halt maar mijn moeder trok zó hard aan mijn arm dat ik struikelde. Zag ze dan niet dat ik daar niet naar binnen wilde?

‘Mohe, Dina,’ zei een boerenvrouw met een vlekkerig gezicht die ik niet kende. ‘Git’r van joe ok al êentje? D’oudste zeker. Bel, bel, wat git den tied toch ard.’

Die grote mensen kenden elkaar maar ik voelde me als een kat in een wei met op hol geslagen paarden. Daar had je Adrie Geus, die kende ik tenminste. Adrie huilde ook een beetje en kroop achter de rokken van zijn moeder. Mijn broertje rende terug naar huis. Wij gingen door, naar de hoofdingang met engelen en vreemde letters uit allemaal kleine tegeltjes erboven, lang geleden gemetseld door mijn opa. Ik rook de school al en beet op mijn lip. Boenwas, zure melk en sinasappelschillen. Er kwam een non op ons af. Ze lachte naar me, alsof we elkaar al heel lang kenden. Ook het gezicht van die non was rood opgezwollen, alsof het gesteven zwart en wit van haar kap te strak zat. Ze kwam me bekend vaag voor maar dat zal wel komen omdat in onze familie veel tante-nonnen voorkwamen.

Opaopoe1947

‘Dag, eerwaarde moeder,’ zei moeder op deftige toon.

Hoezo ‘moeder’, dacht ik, kunnen nonnen ook kinderen hebben dan? O, ik snap het al, dat zijn wij, als alle andere moeders zo dadelijk weg zijn. Opeens hield ik het niet meer en begon te snotteren.

‘Flink zijn, vent,’ zei moeder, terwijl ze zacht in mijn hand kneep, omdat ik er anders vandoor zou gaan. Ik keek haar woedend aan door mijn tranen.

We kwamen in een brede gang. De typische stank maakte me misselijk. Aan weerszijden van de gang hingen allemaal jassen en geblokt stoffen zakjes aan zwarte haken, later ontdekte ik dat daar de boterhammen in zaten van de kinderen die te ver weg woonden om tussen de middag thuis te eten. Eronder stonden klompen en schoenen, netjes op een rij. Je moet hier op je sokken lopen, dacht ik en rilde. Ik kon nog geen veters strikken. Met wapperende rokken kwam er een andere zuster op ons af, die al net zo grijnsde als de eerwaarde moeder.

‘Daar hebben we Ceesje-van-de-buren, heb ik het goed? Ik heet zuster Ferdinanda. Jij komt bij mij, enig niet?’ Ze bukte en stak een spierwitte hand uit.

Ik heet Cees, dacht ik, kroop achter mijn moeder en hield mijn handen stijf in mijn zakken. En het is niét enig!

‘Maar Cees toch,’ zei mijn moeder streng. ‘Geef zuster Ferdinanda eens netjes een hand. Nee, de andere. Goedzo.’

Deze non -met een gezicht, wit als stoepkrijt-, bleef mijn hand stevig vasthouden en zei tegen mijn moeder: ‘Gaat u maar, mevrouw Chamuleau. Wij redden ons wel, nietwaar, Ceesje?’ En ze voerde me mee naar het einde van een lange gang. Ik keek over mijn schouder en zag mijn moeder zonder nog één keer naar me om te kijken of te zwaaien, haastig de school uitstappen. Nog nooit had ik me zó verraden gevoeld, vastgehouden door de non die net de organist heette en mijn naam steeds verkeerd zei.

Mijn borst schokte op en neer van een ingehouden snik.

Bewaarschool1949

Geplaatst in histoblog, humor, schrijven | Een reactie plaatsen

IN DE KRANT

Ja, laten we het maar weer eens over de tijdgeest van alle tijden hebben: geen tijd. Want behalve de zonderling die dit leest heeft men natuurlijk geen tijd. Logisch. Het gaat je ook allemaal niet in de kouwe kleren zitten, nietwaar, die vervloekte klok. Al loopt die voor de één een stuk harder dan voor de ander. Neem nou de alleenstaande.

Plein

Soms heb je wel een beetje met jezelf te doen en dat heeft alles te maken, denk ik, omdat je weer single bent, -een modernisme voor ‘alleenstaande’. ‘Single’ klinkt positiever, minder alléén. Vroeger heette het ‘vrijgezel’. Dat straalde lang leve de lol uit, op een vrijgezel zijn getrouwde mensen jaloers, omdat die voortdurend van hun onbeperkte vrijheid lijken te genieten. Lijken, want thuis wacht een halve literfles schraal bier, een aanrecht vol vuil servies en een koud bed.

Vooropgesteld: zelf kun je goed tegen alleen zijn. Maar zes weken geen telefoon of email en alleen de gezichten op de hockyclub zo nu en dan, daar wordt je komend uit een groot gezin, wel eens depressief van. Waar is de kurkentrekker gebleven?

oldmanandpigeons,birdsphoto,bird,age,birds,blackandwhite-799b9692afb2449b23e619017f8adf2c_h

Als gescheiden man alleen raak je vrienden kwijt, zeggen ze. Jij niet. En toch –de goeden niet te na gesproken- hoor je meestal taal noch teken van ze. Als je belt zijn ze niet thuis. Voicemail. In gesprek. Of later: ‘Sorry dat ik je onderbreek maar we hebben bezoek.’ Of: ‘Ik heb een wisselgesprek, bel vanavond terug. Toppie’.  Ze moeten nóg bellen, of de visite is bij hen ingetrokken. Wat je ook vaak hoort zijn na de excuses een eindeloze opsomming van feiten waardoor ze geen grip meer op hun leven lijken te hebben, en het eeuwige ‘tijdgebrek’. ‘We mailen, goed?’ Geen antwoord.

Het weekend kruipt als een bejaarde pissebed voorbij. Misschien moest je maar weer eens bij A langsgaan. Aan de voordeur: ‘Zul je tegen je moeder zeggen dat ik langs geweest ben?’ Sms-je sturen. Geen sjoege. Je begint je af te vragen of je gekke Henkie heet.

In je eentje naar het café, de bioscoop, een concert? Nou liever niet. Je wilt leuke ervaringen met hem of haar delen. Dus ga je niet, weer niet. Later misschien, als ze je meevragen.

Je hebt nog een boek, betaal-tv en je gitaar. En tegen de tijd dat het zondagavond is, betrap je jezelf erop dat je tegen de poes loopt te praten. ‘Het is weer gauw maandag, hoor Adolf. Dan gaat het baasje naar zijn werk en daarna koop ik lekkere brokjes voor je, ja?’

Web010

Het gevoel niet mee te tellen dien je met kracht te onderdrukken. Kop op. De schouders eronder. ‘Zoek een leuke meid. Ga dansen. Is dat knappe weduwvrouwtje van de Lindestraat niet wat voor jou?‘ Je hoort het je oude moeder zaliger nog zeggen. Zij kon die ledigheid toen al niet aanzien en schudde de speelkaarten. ‘Zal ik een lekker peertje voor je schillen, jongen?’ Mijn god, was mis je haar stem. Juist op zo’n doodstille zondagmiddag in de herfst. De bladeren dwarrelen en de bommen vallen in Syrië, de vrijgezellen schenken zichzelf nog eens in. ‘Proost Adolf.’

‘Alles goed?’ Jahoor, perfect. Gezond. Druk op de weg en het is zo weer sinterklaas.

Stel je voor dat je zei: ‘Nee. Ik vind er geen zak aan. Maar, ik zit mijn tijd wel uit. Maak je over mij geen zorgen.’ Dat wil toch niemand horen? Ieder zijn kruis, daar val je een ander niet mee lastig. Toch? Nou dan, geneer je niet en vergeet de voordeur niet op het nachtslot te doen. ‘Adolf!’

De voortdurende worsteling en confrontatie met jezelf is na al die jaren nog altijd niet voorbij. Door twijfel verscheurd met de vraag wat je als volstrekt onbeduidende doorzonwoningzoekende voor anderen aan waarde toevoegt. Bij je baas geen carrière gemaakt. Geen enkele sportprestatie van betekenis op je naam. Nooit op tv geweest. Geen uitgever vindt je verhaal de moeite waard, op je blogs reageert geen hond en geen krant wil ze hebben. Lang zul ik moeten teren op het grootste compliment dat je eens kreeg van je zoon toen je –net als je vader vroeger- je laatste column aan hem voorlas: ‘Vet pa! Dat zou ik nou in de krant willen zetten. Super.’

Bredius2910.07

Geplaatst in Column, humor, schrijven | Een reactie plaatsen